Geen Breezertje ananas

Hoe lang is een deejay houdbaar? Joost van Bellen (44) rekt alle records op: vorig jaar vierde hij zijn vierde lustrum en vooralsnog is het einde van de rit nog niet in zicht.“Vroeger wilde ik altijd acteren. Iemand anders zijn. Dat mislukte allemaal. De toneelschool wilde me niet toelaten. Dan maar theaterwetenschappen, dacht ik. Rampzalig, als je het achteraf bekijkt. Er kwam werkelijk níks van terecht. Tussen 1980 en 1985 ging ik zo ongeveer iedere nacht uit. Best slopend. 

Na een paar jaar raakte ik verveeld, dus begon ik met een paar vrienden zélf feesten te organiseren. Kleinschalige avonden met jaren zestig-psychedelica; clubnachten in een Amsterdams kraakcafé. 

Het sloeg enorm aan, maar tegenstand was er ook volop. De politie doekte het kraakpand waarin we draaiden op, de buren hakten met een bijl de deur van onze club in. Behoorlijk heftig.”“In 1986 werd ik gevraagd om te helpen de Roxy op te zetten; ik zou de woensdagavond gaan verzorgen. Een eclectische avond, heel avantgardistisch. 

Aanvankelijk zond de VPRO het uit, maar al snel trokken die zich weer terug. Mensen konden er niet bij: livemuziek zónder dat je daar een drumstel en een gitarist voor nodig had, dat kón gewoon niet.Triest vond ik dat. Ik koos definitief voor house; het begin van dance – en daarmee ook het begin van mijn carrière. Ik weet nog wel dat Het Parool op de voorpagina een joekel van een verhaal over ons schreef: De terreur van het niets, over de zogenaamde leegheid en herrie. Op de voorpagina!

Ongelofelijk. Maar goed, het hek was van de dam natuurlijk. Als de krant schrijft dat zoiets fout is, denken de kids in de stad natuurlijk: hé, dat is cool! Roxy was meteen een succes.”

 “De dingen gingen snel in die jaren. Dance werd onder het grote publiek bekend en ik ging internationaal draaien. Dat was wel even wennen.Ik weet nog dat de Belastingdienst me belde om te vragen waarom ik kleding opgaf als aftrekbare bedrijfskosten. Ik was toch gewoon iemand die in de hoek van de zaal plaatjes draaide? 

Het heeft even geduurd voordat de belastingdienst begreep dat dj zijn ook een beroep is. En dus moet je ook aan je imago denken. Het is ook gewoon show. Ja vooruit, die snor van mij ook. Dat is 
een handelsmerk.”“Ik heb tijden meegemaakt dat alles nog in goed vertrouwen ging. Die keer dat ik door het Oostblok toerde bijvoorbeeld. Speelde ik avond aan avond in Polen, en kreeg ik aan het einde van de rit geen cent. Die toerorganisator zou het nog wel overmaken, zei ‘ie. Nooit meer iets van gezien, natuurlijk. 

Een paar jaar daarvoor was ik de eerste dj die achter het ijzeren gordijn speelde, ergens in Hongarije. De mensen daar namen die avond hun eerste xtc-pil. Was ik nog maar net begonnen met draaien, of ze begonnen in de meubels te klimmen en de tent te slopen. En ik natuurlijk maar denken: o jee, dit loopt helemaal uit de hand. Leuk feest, achteraf bezien.”“Tegenwoordig is dat wel anders. Als ik nu ergens draai, is alles prima verzorgd. De betaling moet vooraf, de tickets moeten er op tijd zijn, ik krijg een programma met wanneer ik waar verwacht word en ik wil altijd genoeg te eten en te drinken. Anders kom ik niet. Lijkt me niet arrogant hoor. 

Als je afspraken maakt met mensen die je nog nooit gezien hebt en die aan de andere kant van de oceaan wonen, moet je natuurlijk wel zorgen dat je zekerheid hebt. 

Die luxe is op een gegeven moment ook doorgeschoten. Er was een jaar dat ik meer champagne dronk dan water. Hier in Amsterdam krioelde het van de internetbedrijfjes. 

Al die jonge kerels waren steenrijk, iedereen had een eigen zaakje opgezet. Toen kwam 11 september. Dat kwam hard aan. Alles om me heen schoot in de dip: de economie, de muziek en ikzelf ook. Ik was toen al overgestapt op deephouse; ont-zét-tend saaie muziek. 

Dat was het enige moment waarop ik serieus overwoog om er maar eens mee op te houden. Maar goed, toen kwamen die electropioniers als Felix Da Housecat en 2Many dj’s, en werd alles opengebroken. Electrorock werd hip. Hetero’s en gays konden ineens weer samen dansen. Dingen werden weer léuk.”“Ineens zag ik overal mogelijkheden. Een paar jaar geleden zijn we daarom begonnen met RAUW-avonden, in Club 11. Ik wilde weer terug naar dat ruwe, ongepolijste geluid; letterlijk rauwe avonden, waarop van alles mogelijk is. 

We schreven met stopverf de letters rauw op een stuk karton, zorgden dat de zaal er zo vuig en natuurlijk mogelijk uitzag, en dat was het. Heerlijk low key, en hartstikke goedkoop, haha. 

Het sloeg ongelofelijk aan. Mensen zijn al die strakke, glamoureuze feesten beu aan het raken, die willen weer iets dat écht is. Dat krijgen ze bij RAUW.
Dj’s in combinatie met bands. Alternatieve Duitse techno bijvoorbeeld, gecombineerd met een Belgische rockact als The Glimmers. Artiesten die nu nog niet zijn doorgebroken, maar die wél ontzettend goed zijn. 

Langzamerhand begint het kwartje bij steeds meer mensen te vallen. Laatst bijvoorbeeld. Toen hadden we hier Uffie, een zangeres die bekend is geworden via de Amerikaanse profielensite MySpace, en stond de zaal vol met allemaal kids met cameratelefoons. Of dat dan geen publiek van gillende tienermeisjes is? Nee hoor, RAUW trekt geen Breezertje Ananaspubliek. Het motto van dat zangeresje is wel gewoon I´m ready to fuck.”“Ik heb van het verleden geleerd, hoor. Niet alleen muzikaal, ook persoonlijk. In de tijd dat aids opkwam, zag ik om me heen ineens mensen met bosjes tegelijk overlijden. Dat was echt schrikken. Toen ik zelf ook een goede vriend verloor, heb ik echt een poosje van dag tot dag geleefd.

Nu kijk ik weer wat meer vooruit. Een beetje, maar niet teveel. Dan word je gek. Ik haal tegenwoordig alles uit het leven wat ik eruit kan halen, pak alles aan wat ik kan aanpakken. 

Er zijn nog iedere dag dingen waarvan ik denk: tof, dat ga ik doen. Zo blijft het de moeite waard. En als er bij onze partyorganisatie Veel Meubel Stukken opdrachten binnenkomen waar ik zelf niks aan vind, schuif ik die door naar iemand anders. Ik kan gewoon niet creatief zijn als het basisidee van iets me niet aanspreekt. Als het te commercieel is, bijvoorbeeld.Ik wil altijd iets geks of vernieuwends kunnen doen. Als Ariël ons vraagt om een wasmiddelenreclame voor de Huishoudbeurs te verzinnen, tja, dan moeten ze daar maar een ander bedrijf voor zoeken. 

Wij willen originele dingen doen. Dansende huisvrouwen en draaiende wasmachines bijvoorbeeld, met gave muziek
eronder. Dát is dan wel weer een prachtig idee, haha. Nu ik er zo over na zit te denken: misschien moeten we maar eens zoiets gaan doen.”“Eigenlijk ben ik een ontzettend vrije vogel. Als je kinderen hebt, heb je alweer een extra verantwoordelijkheid. Ik heb dat niet. Ja, mijn vriend, mijn ouders en mijn bedrijf, misschien. Mijn ouders zie ik schandalig weinig. Daar zit ik wel eens mee. 

Maar als ik besluit om morgen mijn spullen te pakken en weg te wezen, wie houdt me dan tegen? Op dit moment kan ik nog geen enkele reden bedenken waarom ik zou moeten stoppen met draaien. Ik vind het prachtig. Maar mocht ik het ooit beu raken, dan ga ik schrijven. Dat weet ik nu al. Schrijven op Ibiza. 

Daar vind ik de rust, de tolerantie en het lekkere weer. Misschien maak ik literatuur, misschien pulp, maar het worden in ieder geval verhalen die je met rode oortjes zal lezen.Tien jaar geleden heb ik al eens meegedaan
aan een soort vrije schrijfcursus. Kreeg je een paar woorden en daar moest je dan iets mee maken. Ik maakte met ‘strand’, ‘vrouw’ en ‘bal’ een verhaal over een travestiet die een dagje naar de zee ging met een kind. 

Mensen die het lazen vonden het fantastisch: die travestiet die met die naaldhakken in het zand prikt en natuurlijk elke keer bijna omvalt, en dan op sleep met dat kind. 

Ik voel die neiging best vaak; om zo maar eens iets op te schrijven. Maar voorlopig zet ik dat nog even van me af. Dat draaien blijft toch een prachtige bezigheid. Schrijven kan altijd nog.”

Vorige
Vorige

Erwin, morgen net zo duister als in Libanon?